Bergum/Bergumerdam

Vroeger was 'de daam' eeuwenlang het middelpunt van Bergum. Door de draaibrug was de Bergumerdam de doorgaande weg naar Suameer waar tevens de stoomtram langs reed. De buurt was zeer levendig door de vele rijtuigen en binnenschepen. Op de Bergumerdam bij Bergum zijn zeker al sinds de zeventiende eeuw schepen gebouwd. Rond 1700 waren er twee scheepshellingen op de Bergumerdam, beide gelegen aan de noordkant van de vaart en aan weerskanten van de toenmalige brug. Bergumerdam ontleende haar naam van deze houten, later van steen opgemetselde brug, bij Bergum. De vaart was een omleiding om de dam heen, die opgeworpen was in de vaart ten zuiden daarvan, zodat de vaart hier nu de gedaante van een spijkerboor kreeg. Het schijnt dat de dam opgeworpen werd om minder hinder te ondervinden van de snelle stroming van het water. In latere jaren werd die dam weer verwijderd.
De verbinding van Bergum naar Groningen verliep sinds de jaren 1572-1576 via het Kolonelsdiep, Knillesdjip, aangelegd door de Spaanse luitenant-stadhouder Caspar di Robles. Het tracé komt ongeveer overeen met dat van het tegenwoordige Prinses Margrietkanaal.
De ene werf ten oosten van de hoofdweg verdween na het overlijden van de toenmalige hellingbaas Jan Alberts in 1804. Er werd hier een houtzaagmolen van het achtkantige type ‘paltrok’ geplaatst. Een onderkruier, die rondom naar de wind kon worden gedraaid. Hij was eigendom van de familie Kramer, die tevens een kuiperij in Bergum had. In 1877 werd de molen afgebroken, omdat de voor de houtzagerij benodigde energie niet langer uit windkracht werd gehaald. De aandrijving had daarna plaats met stoommachines en later met elektromotoren. In 1936 werd dat bedrijf overgenomen en stond toen bekend als Dalstra’s houtzagerij.
Zo bleef er dus na 1810 alleen aan de westzijde van de hoofdweg een helling over, met de herberg ‘De Drie Gekroonde Baarzen’ (waar Napoleon zelfs volgens de 'verhalen' ooit een nacht moet hebben geslapen op zijn weg naar Leeuwarden) aan de oostkant, de vaart ten zuiden en de opvaart aan de westkant. In 1713 werden de gebroeders Benedictus IJbeles en Melle IJbeles hier genoemd als schuijtmakers. Ze waren ieder voor de helft eigenaar. Benedictus IJbeles verkocht zijn helft in 1718 aan zijn broer Melle IJbeles en diens vrouw Janke Martens voor de prijs van 300 Caroliguldens.

Vanaf 1725 werden hun kinderen Marten Melles en Sjoerd Melles als scheepstimmerlieden hier genoemd bij het bouwen van bollepramen, Veenwoudster pramen en schuiten. Sjoerd overleed in 1748. Zijn zoons Hans Sjoerds en Ybele Sjoerds kwamen respectievelijk in 1758 en 1764 hun oom Marten Melles op de werf versterken. Ybele Sjoerds werd hellingbaas in 1774, maar verkocht de werf in 1785 voor 1.800 Caroliguldens aan Jan Alberts en Fokjen Jurjens uit Rohel die ook de andere werf bij de Bergumerdam in 1789 overnam van Acke Sijtzes voor 1.300 Caroliguldens.
In 1793 deed hij de werf over aan zijn zoon Albert Jans en Trijntje Melles voor 1.400 Caroliguldens. Er ontstond toen een aanzienlijke bedrijvigheid op de werf. Uit diverse advertenties kunnen we opmaken dat er coffeschipshol, schuiteschipshol, turfschuite enz. werden gebouwd en geleverd. Toch zat het Albert Jans financieel niet mee. De bij de aankoop van de werf opgedane schuld werd maar niet afgelost. Voor de daarop volgende bedrijfsactiviteiten ontstonden er aanzienlijke schulden bij diverse leveranciers van hout en spijkers. Het werd Albert Jans te veel en hij verkocht de werf gedwongen door financiële nood. De nieuwe eigenaar werd in februari 1801 voor 900 Caroliguldens meester kuiper Lieppe Jans. Deze kocht de werf voor de handel. Hij deed de huizinge en schuitmakerij, schuithuis, helling, grond met bomen en plantage in december van de hand voor 927 Caroliguldens aan Jochem Tjeerds. Echter kwam hij twee jaar later te overlijden en zijn vrouw Hiltje Wytzes verkocht het bedrijf.

Izaäk Abrahams van der Werf

In 1804 werd Izaäk Abrahams de nieuwe eigenaar van de werf voor 1.450 Caroliguldens. Izaäk was geboren op 12 april 1769 te Zuiderdrachten en werd bij de transactie bijgestaan door zijn vader Abraham Ysacks. Beide waren scheepstimmerman. Abraham was met zijn vrouw Antje Jelles van Zuiderdrachten naar Bergum gekomen. Abrahams ouders waren de scheepsbouwer Ysack Sybes en diens vrouw Sybrich Michiels, die vroeger hun helling in het zuidwesten van Warga hadden. Hun kleinzoon Izaäk trouwde op 8 februari 1807 te Bergum met Hiltje Wytzes Faber, de weduwe van de vroegere werfeigenaar Jochem Tjeerds. In 1811 nam de familie de achternaam Van der Werf aan.
Na het overlijden van zijn vader op 27 april 1819 zette Izaäk het bedrijf alleen voort. Op de werf werden onder zijn leiding hektjalken, kofschepen en schuiten gebouwd. Hij stierf op 15 augustus 1848 in Bergum. Het bedrijf ging toen over op zijn zoon Abraham Yzaäks (*1811 te Bergum - †03-10-1877 te Bergum) getrouwd met Jeltje Jans Sinning (*23-08-1804 te Leeuwarden - †24-12-1894 te Bergum). Abraham liet weinig van zich doen spreken totdat op 1 juli 1873 de werf per advertentie te koop werd aangeboden. Hij raakte het echter niet kwijt. Na zijn overlijden, op 3 oktober 1877, werd het bedrijf in 1879 geveild in opdracht van zijn vijf kinderen. De veiling vond plaats in de herberg ‘De Drie Gekroonde Baarzen’. Ebele Liekeles Hoekstra (*04-05-1852 te Harkema Opeinde - †15-06-1923 te Drachten), scheepstimmerknecht te Rohel, werd via deze veiling de nieuwe eigenaar voor de prijs van fl. 2.555,-. Ebele had bij zijn werf op Bergumerdam ook een café. Dit was funest voor hem. Ebele Liekeles Hoekstra kreeg het café en de werf niet aan de praat en er volgde al na vijf jaar een faillissement gevolgd door een executoriale verkoop op 11 maart 1884. “Eene huizinge met erf, scheepstimmerwerf, schuur, twee hokken en twee hellingen cum annexis. aan de haven te Bergumerdam.” Een dag later werd aan de scheepstimmerwerf zijn boelgoed geveild. Dit bestond uit: “Meubelen en huisgeraden, als: eiken kabinet, klok, bedden met toebehooren, kastje, kachels, spiegels, schilderijen, tafels, stoelen, glas, koper, tin, ijzer en aardewerk. Goud en zilver, als, gouden oorijzer met smallen beugel, dito slotje met koralen, zilveren tabaksdoos, dito horloge, kerkboeken enz. Materialen en gereedschappen, als: eene partij beste eiken, grenen, ijperen en vuren planken en schalen, kromhout, vat teer en pek, oud ijzer en oud hout, 60 pak spijkers, een begonnen Schuit, groot 44 ton, takels en blokken, 4 dommekrachten, kettingen, bouten, bankschroeven, koevoeten, hamers, boren, zagen, beitels, schaven, bijlen, haken, boomen en hetgeen meer ten verkoop zal worden aangeboden.“

Minne Molles van der Werf

Minne Molles van der Werff (*05-12-1851 te Kooten - †14-03-1926 te Sneek) kwam vanuit Kooten in Bergum doordat hij de pacht van de bruggelden bij de draaibrug over de nieuwe doorgraving of het groot scheepsvaarwater, ten zuiden van de Bergumerdam, van 1 mei 1883 tot 1 mei 1885, voor fl. 725,- per jaar toegewezen had gekregen. Hij volgde hiermee zijn vader Molle Minnes en oom Pieter Minnes van der Werf (*06-10-1828 te Drachten - †14-10-1886 te Suameer) in zijn voetsporen die de pacht van de draaibrug bij het voormalig Schuilenburger Verlaat over het Kolonelsdiep had. Als telg uit het scheepsbouwergeslacht Van der Werf(f) uit de Kooten zag Minne Molles zijn kans schoon om de te koop staande werf van Ebele Liekeles Hoekstra voor de prijs van fl. 1.626,- over te nemen in 1884. Minne Molles werd behalve werfbaas ook nog actief als scheepvaartondernemer. Samen met Benedictus Kramer en Andries van der Veen werd vanaf 11 juni 1897 de Bergumer stoombootdienst geëxploiteerd, met een dienst op Leeuwarden en Groningen. Een retourtje Groningen koste fl. 0,80 en voor een retourtje Leeuwarden werd fl. 0,50 gerekend vanuit Bergum. Ook was de opbrengst uit de verhuur van overdekte schuiten en tjalkschepen een welkome aanvulling op die van de scheepsbouw. De werf te Bergumerdam was een relatief kleine “houten” helling, georiënteerd op de bouw en onderhoud van schepen voor de beroepsvaart. De diverse schepen die er gebouwd werden, waren niet groter dan circa 25 ton en hadden een lengte van circa 16 m.
Er zat toentertijd geen toekomst meer in de houtbouw voor de beroepsvaart. Minne Molles zag de toekomst echter liggen in de bouw van grotere moderne ijzeren schepen. Van de Bergumer werf is maar één ijzeren ‘roefschip’ geregistreerd op 13 september 1903, de ‘Jonge Sietze’ [L 653 N] van H. Stenekes uit Bergum. Het was een skûtsje dat in 1896 met een lengte van 16,46 m en een breedte van 3,58 m was gebouwd door Minne Molles. Het laadvermogen werd 41,897 ton.
Het zal er mee te maken hebben gehad dat de ruimte te beperkt was en de kennis nog te gebrekkig. Daarom verkocht hij de scheepstimmerwerf te Bergumerdam met daarbij staand huis en knechtswoning met grote timmerschuur en twee bijbehorende hellingen op 23 april 1902 voor fl. 2.559,- en ging terug naar Kootstertille om zich de ijzerbouw op de werf van zijn jongere broer Joon Molles (*1856 - †1934) verder eigen te maken.

Pieter Ates van der Werff

De nieuwe eigenaar werd Minne Molles zijn achterneef, Pieter Ates van der Werff (*08-02-1845 te Drachten - †09-07-1922 te Bergum) uit Drachten. Pieter Ates nam “Eene huizinge met erf, scheepstimmerwerf en timmerschuur benevens twee hellingen ...” over. Pieter Ates had zijn opleiding gehad bij zijn vader Ate Pieters van der Werff (*1819 - †1890) op diens werf aan de Langewyk te Drachten. Na zijn huwelijk met Tjitske Baron (*06-07-1852 te Drachten - †06-08-1941 te Bergum) in 1878, had hij zich in 1880 als zelfstandig scheepsbouwer aan de Molenwal te Gorredijk gevestigd. Voordat het gezin in 1903 naar de Bergumerdam verhuisde, waren de twee oudste kinderen, Metje (*04-03-1879 te Ureterp - †09-11-1951 te Bergum) en Ate Pieters (*21-04-1881 te Gorredijk - †16-01-1960 te Echtenerbrug), in mei 1902 al vooruit gegaan als ‘kwartiermakers’. Ate Pieters ontmoette daar zijn nieuwe buurmeisje Folkje van der Meulen, die later zijn vrouw is geworden.
In de beginperiode trad Pieter Ates ook op als onderaannemer van zijn jongere broer Tjibbele Ates (*1856 - †1926), van de helling in Warga. Het betrof de bouw van twee houten beerpramen van een totaal van zes stuks voor de gemeente Utrecht. Daarna bleef Pieter Ates hoofdzakelijk zijn werk in de houtbouw bedrijven.
In 1910 verliet Pieter Ates zijn oudste zoon de werf. Ate Pieters had op deze werf tot in 1910 mee gewerkt. Toen nam hij de werf van Jan Jans Bos (*1839 - †1910) in Echtenerbrug over. Volgens het boek ‘Tusken Tsjûkemar en Tsjonger’ zouden hij en zijn neef Ate Tjibbeles van der Werff (*1888 - †1969) geloot hebben tussen de werf in Echtenerbrug en die op Schilkampen in Leeuwarden, waar tot 26 oktober 1909 Oebele Pieters van der Werff (*1877 - †1947) schepen bouwde.
Hoewel er nog drie andere zoons van Pieter Ates op de werf bleven werken, bestond bij hen geen interesse om het bedrijf aan de Bergumerdam over te nemen. Na het overlijden van Pieter Ates in 1922 werd de werf dan ook verkocht en trok weduwe Tjitske in bij haar dochter Metje die met veehouder Folkert Douwes Algra was getrouwd.

Egbert Eelkes Zijlstra

De timmerman aannemer Egbert Eelkes Zijlstra (*30-09-1886 te Bergum - †18-03-1968 te Bergum) werd de nieuwe eigenaar van de werf. Hij breidde de werf in 1924 uit met een timmerwerkplaats met elektromotor.
De zoons Sipke (*08-10-1921 te Bergum) en Eelke Zijlstra werkten eveneens bij hun vader in het bedrijf en zetten zijn bedrijf later voort. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het gebied rond de Bergumerdam langzaam. Het Prinses Margrietkanaal werd verbreed en een nieuwe brug werd gebouwd, omdat de draaibrug in de Tweede Wereldoorlog werd verwoest. Het perceel van de werf werd nog gebruikt als jachthaven voor opslag en winterberging. De broers Sipke en Eelke hadden ook nog kleine houten boten gebouwd als BM-ers en 16 m2. Na een reeks van jaren op deze wijze gebruikt te zijn, werd de werf in 1964 helemaal opgeheven. Het later verbouwde huis staat er nog en werd, tot zijn overlijden op 13 december 2006, bewoond door Sipke Zijlstra.
Tot 1989 stond herberg ‘De Drie Gekroonde Baarzen’ nog aan ‘de daam’ maar ook dit pand ging verloren door de sloophamer, omdat een renovatie (vernieuwen van palen onder het pand) te duur werd. Je kon er altijd uitmuntende baars en paling krijgen, welke in de nabij gelegen Bergumermeer gevangen werden. Nadat de werf met de scheepsbouw activiteiten op deze locatie verdween, werd er het Bouwbedrijf J. Zijlstra Bouw Burgum BV gevestigd. De brug is vervangen door een dam en de beide delen van de oude vaart aan weerszijden van de dam staan nu bekend als de jachthaven.
Laatst gewijzigd op: 29 september 2011

ga naar onze facebookpagina