Normering en omschrijving skūtsjes

De organisaties SKS en IFKS hanteren elk eigen normen en omschrijvingen voor wedstrijdskūtsjes. Deze wijken op details af van elkaar en van de voor een stamboek te hanteren normering.
Jelmer Kuipers en Klaas Jansma hebben een voorlopige omschrijving voor het sinds 1900 gangbare type staalijzeren skūtsje (oorspr. 'skip' of 'roefskip' genoemd) opgesteld, mede aan de hand van informatie van de oud-schippers Rintje Ritsma sr. (1908-2012), Sipke Tjerkstra (1923-2016), Sake Eekma (1918-2014) en Jetse Visser.

Skūtsjes zijn gebouwd als zeilende vrachtschepen met een roef voor bewoning in het achterschip en een durk voor opslag c.q. bewoning in het voorschip.


De vorm

Een skƻtsje, afgemeerd bij Eernewoude, 1973.

De vorm wordt bepaald door:

  • een laag rond voorschip met rond gebogen voorsteven;
  • rond achterschip met rechte achtersteven onder water overgaand in een scheg;
  • smalle huidplaten in de kop en kont;
  • voor- en achterschip lopen vloeiend weg in de waterlijn die zich bij een ongeladen schip bevindt tussen (voorkant) ongeveer 25% uit de voorsteven en (achterkant) midden tot voorkant roef;
  • ronde kimmen;
  • plat vlak;
  • langsscheeps gestrekte vorm met weinig maar vloeiende zeeg;
  • markant getekend door een breed berghout (ca. 20 cm breed) welk uitloopt in robuste stuiten op de ronde kop en kont.

De indeling

Het skūtsje de 'Hoop op Welvaart' van Age Bandstra stormt over het Heegermeer, 1980.

Het voordek en de mast
In het voordek zit een gedeeld mastluik en een durksluik en er is vlak voor de mast een dwarsscheepse overloop aangebracht waarover het schootblok van de fok glijdt. Het schip is ingericht voor het voeren van één stagfok en een grootzeil dat gehecht is aan een gaffel en met losse broek achter aan de giek is bevestigd. De mast steekt door het voordek en is strijkbaar. Achter de mast is het vrachtruim, vanaf beide zijden (BB en SB) afgedekt met schuin naar het midden oplopende rechte luiken, tegen de gangboorden rustend op rijswaring of den.

De roef en het achterdek
De rijswaring loopt in één lijn over in de roef welke achter het ruim ligt met daarachter het achterdek.
Ter weerszijden langs het ruim en de roef bevinden zich de gangboorden, één geheel vormend met voor- en achterdek.
Aan beide zijkanten is een breed (ovaal) houten zwaard opgehangen. 

Het roer
Aan de achtersteven hangt een ongeveer 5 tot 8 cm dik roer dat boven de waterlijn half zo lang is als onder de waterlijn. Deze laatste lengte is ongeveer gelijk aan de halve breedte van het schip.
Het roer wordt via een over de roerkop vallend, gelijk met de bovenkant van de achtersteven, licht gebogen helmhout bediend.


Maatvoering

Absolute grenswaarden voor de maatvoering zijn niet te geven, maar bevinden zich tussen:

  • tonnage laadvermogen: 19 tot en met 55;
  • lengte (incl. stevens): 14 tot en met 21 m;
  • grootste breedte: 3,10 tot 4,20 m;
  • holte (d.i. afstand tussen vlak en het laagste punt van het dek t.p.v. de romp, voor de mast): 1 tot en met 1,25 m.

Verhoudingen:
  • lengte: breedte tussen de 100:22 en 100:18,5;
  • breedte: holte tussen 100:33 en 100:29.

Laatst gewijzigd op: 17 februari 2017

ga naar onze facebookpagina